Verhaal

De opvang van Heimatvertriebenen in Apen

Duitsland

Markeren

Deel

Route

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werden miljoenen mensen met een Duitse etniciteit verdreven uit gebieden ten oosten van de nieuwe Oder-Niessegrens. Zij werden Heimatvertriebenen genoemd. De opvang van Heimatvertriebenen in Apen stelde de gemeente voor grote uitdagingen.

In januari 1945 viel het Sovjetleger Oost-Pruisen binnen. De Russische troepen namen wraak op de Duitse etniciteit voor de wreedheden die zij volgens Rusland tijdens de oorlog hadden begaan. Overal werd geplunderd, verkracht en gemoord. Miljoenen mensen sloegen in paniek op de vlucht, vaak te voet en onder barre winteromstandigheden. Velen kwamen om van de kou of door geweld.  

Tijdens twee grote conferenties in Jalta (februari 1945) en Potsdam (juli 1945) bepaalden de geallieerde leiders, Roosevelt, Churchill en Stalin, de nieuwe grenzen van Europa. Grote delen van Oost-Duitsland, waaronder Oost-Pruisen, Silezië en Pommeren, kwamen onder Pools of Sovjetbestuur. Duitse steden als Breslau en Stettin werden Pools en Köningsberg werd het Russische Kaliningrad. De oorspronkelijke Duitse bevolking werd verdreven of vluchtte. In totaal sloegen 12 tot 16 miljoen Duitse inwoners op de vlucht. 

In de chaotische nadagen van de oorlog en in de eerste jaren erna hadden de geallieerden beloofd dat er sprake zou zijn van een humane overbrenging van de Duitse bevolking naar het westen. In werkelijkheid verliep de ‘humane transfer’ uiterst moeizaam en vaak gewelddadig.  

In de gemeente Apen, in het westen van Duitsland, waren al tijdens de oorlog moeders en kinderen uit gebombardeerde steden ondergebracht. In de laatste maanden van de oorlog kwamen daar vluchtelingen uit Oost-Pruisen bij. In mei en juni 1946 volgde een nieuwe groep Heimatvertriebenen, vooral uit Breslau (Wroclaw). In korte tijd groeide het aantal nieuwe inwoners in de gemeente met ongeveer 2300 mensen.   

Deze vluchtelingen hadden vaak slechts hun belangrijks bezittingen kunnen meenemen. Ze waren getraumatiseerd door de gebeurtenissen die ze hadden meegemaakt en waren onzeker over hun toekomst. Apen had de taak om deze mensen onderdak te bieden. De gemeente kende vooral eengezinswoningen, waardoor veel vluchtelingen in noodopvang of gedeelde onderkomens terechtkwamen.  

Pas in de loop van de jaren vijftig lukte het de meeste Heimatvertriebenen om opnieuw een bestaan op te bouwen. Sommigen vonden werk bij de gemeentelijke diensten, anderen in de staal- of textielindustrie. De huisvestingssituatie bleef echter problematisch. De gemeente kampte met een tekort aan financiële middelen om voldoende woningen te bouwen en de woonruimte bleef lange tijd krap.